1595-1654, Claes Cornelisz. Jonges

Commandeur ter walvisvaart en burgemeester van Jisp.

1650. 27 Mey.

Verklaring van Comelis Gerretsz. (de) Lange ende Claes Cornelisz. Jonges, beyde oude Burgermrn ende Regeerders van den Dorpe Jhisp, ten versoecke van den E. Assuwerus Sweersen, coopman tot Amsterdam, dat binnen den dorpe van Jhisp tegenwoordich thuys behoorende syn wel seven traensiederijen, die welcke oock al verscheyde jaren daer gestaen hebben sonder dat sijluiden oyt hebben connen bevinden, dat deselve aen de vis int water eenige schade ofte nadeel, hinder ofte beletsel int groeyen ofte oorteelen vande Vis souden comen te doen, maer dat ter contrarie dickmaels bevonden wordt, dat by ende omtr deselve traensiederijen veel Vis wordt gevangen ende overvloedich veel jonge Vis dickmael bij de Koockerijen gesien wordt ende dat oock mede deselve traensiederijen aen de beesten, tzij koebeesten, schapen ofte eenige ander geen hinder ofte nadeel oock aent suyvel van deselve beesten causeert ofte doet in eeniger manieren, en dat siij oock hare landen aldernaest ende tersyde aen de voorsz. traensiederijen leggende heel wel verhuieren connen sonder dat deselve daerom een stuyver te minder in huier gelden, dat mede wel bevonden is, dat de koebeesten optselve landt gaende, daer de traensiederijen stonden aen de vaten quamen gaen ende beeten de schillen van de traenvaten aff, ende slickten oock de vetticheyt van de traenvaten bij de sponsgaeten mede aff, alles sonder iets daer aff te hinderen ofte deeren, maer dat sij lieden niet anders cunnen bemercken off deselve beesten hebben opde selve landen ende naest deselve traensiederijen soo goet tier ende deech als op eenige andere plaetsen, verclaeren mede nooyt gehoordt te hebben, dat eenige hinder ofte schade aen eenige vruchtboomen vande naeste traensiederi}en oyt geschiedt ofte gekauseert is. Alle twelcke, enz.

Getuigen Floores Garmentsz. Smit, herbergier tot Jhisp, en Engel Pietersz. woonende tot Saerdam.

Deze akte komt voor in de protocollen van notaris J .E. Mangleres te Wormer. De hier genoemde Claes Cornelisz. Jonges is een van onze oudst bekende voorvaders, die in de stamboom vermeld staat met het nummer 1.0.3. Waarom deze verklaring werd afgelegd is onbekend. Misschien was men ook toen al bezorgd om het milieu. Dit blijft een vraag, maar door deze akte zijn twee zaken wel duidelijk geworden. Ten eerste was Claes Cornelisz. welgesteld, anders werd men in de zeventiende eeuw geen burgemeester. Ten tweede had hij bemoeienissen met de walvisvaart. Wat die bemoeienissen waren komt straks, eerst een stukje geschiedenis.

Spitsbergen

In 1556 werd Spitsbergen ontdekt, een bar en onbewoond gebied. Twintig jaar later echter kwam het eiland volop in de belangstelling omdat daar zoveel walvissen rondzwommen. De aanwezigheid van deze dieren vormde de basis van een bloeiende bedrijfstak; de Walvisvaart. Voordat de jacht op en het slachten van walvissen goed op gang kwam, moesten de jagers, Denen, Engelsen en Hollanders, het vak Ieren. Het vangen en verwerken van deze enorme zoogdieren was niet eenvoudig. De kunst werd afgekeken van de Basken die al eeuwenlang in de Golf van Biskaje op walvissen hadden gejaagd.

In 1614 richtten Amsterdamse en Delftse kooplieden de “Noordse Compagnie” op, die al spoedig van de Staten Generaal het monopolie op het vangen en verwerken van walvissen verkreeg. Deze activiteiten vonden plaats in het noordwesten van Spitsbergen dat weldra “Smeerenburg” werd genoemd. Deze naam wees op de stank die de traankokerijen veroorzaakten, maar ook op het product walvistraan: smeerolie. In de jaren dertig van de zeventiende eeuw verplaatste zich de walvisvangst verder van Spitsbergen af en steeds vaker werd de vangst in open zee verwerkt. Deze veranderingen betekenden het einde van de Noordse Compagnie, vooral ook omdat er steeds vaker schepen buiten de Compagnie om ter walvisjacht gingen. In open zee immers had men met niemand iets te maken!

De cijfers 1 tlm 9 in het artikel verwijzen naar de bronnen en notes aan het einde.

Jisp

Nu keren wij terug naar Jisp, het dorp uit bovengenoemde verklaring. Vanuit Jisp werd al vroeg particuliere walvisvaart bedreven. Daar werd ook de eerste traankokerij hier te lande gevestigd en in de bloeitijd waren het er wel meer dan één, zoals we kunnen lezen. Dit dorp, gelegen in een waterrijk gebied met een verbinding naar de Zuiderzee en nog verder de Noordzee, was de woonplaats van Claes Cornelisz. Jonges, die ook wel ‘t Jong of Neeltjes werd genoemd. Het ligt voor de hand dat de Jispers de kneepjes van de walvisvaart leerden op de schepen die onder de Noordse Compagnie voeren. Eenmaal volleerd, gingen zij zelf op jacht en Claes zal één van hen zijn geweest. Hij was geboren (1) in de zelfde tijd dat Spitsbergen werk ontdekt en wij kunnen ons voorstellen dat hij als jongmaatje ter walvisvaart is getogen om op zijn beurt de ervaring op te doen, waarvan zijn verdere levensloop getuigt.

Wie waren vader en zoon Jonges?

Het beroep van de vader, Cornelis Claesz. 1.0.1 weten wij niet. In ieder geval was hij niet onbemiddeld, want zijn jongste zoon, Cornelis 1.0.5 kreeg bij zijn meerderjarigheid de beschikking over 1.097 roeden land en ruim één honderd en acht gulden. (2) Ook is onbekend of hij een geboren Wormer of Jisper was. Misschien stamde hij van de Watergeuzen, dat “bedreven varensvolk”. Een andere vraag is of hij Doopsgezind was. Zijn zoon namelijk getuigde enige malen “bij christelijke ware woorden in plaetse van eede”, hetgeen kenmerkend is voor Doopsgezinden. Op al deze vragen hebben we geen antwoorden. Wél weten wij dat zijn oudste zoon 1.0.3 een man van aanzien is geworden door de walvisvaart. Een bevrachtingcontract uit 1641 vermeldde hem als commandeur én als burgemeester. Toch waren er in 1638 nog moeilijkheden. Wat te denken van het volgende: “Tegen het Avondmael welc gehouden soude den 25en Decembris 1638 wesende Kerstdagh zijn tot denselven gemeenschap nae belofte van behoorlijcke onderwerpinge toegelaten Claes Cornelisz. Jonges…” (3)

Had hij zich als lid van die kerk ernstig misdragen, zodat hij van het Avondmaal was uitgesloten? Dan is hij na zijn schuldbelijdenis weer toegelaten, zodat daarna hem niets meer belemmerde hoger op de maatschappelijke ladder te komen.

Commandeur, burgemeester, bevrachter

Deze begrippen houden het volgende in: Als men bij de walvisvaart als commandeur voer, had men de algehele leiding en verantwoording over de vangstcapaciteiten en de vleet. Hieronder werd de gehele uitrusting verstaan waartoe o.a. 6 á 7 sloepen behoorden. Met deze sloepen werd feitelijk gejaagd. De schipper was uitsluitend verantwoordelijk voor zijn schip en de navigatie. Volgens P. Jonges te Spijkerboor 4.6.37 voer Claes Cornelisz. in 1639 en 1640 als commandeur. Van eerdere reizen zijn geen bewijzen gevonden. Na 1640, toen hij in 1641 burgemeester van Jisp was verkozen, was het varen afgelopen. In die functie verbond men zich niet buitenslands te gaan, omdat men de verplichting had de vergaderingen van de “gemeenteraad” bij te wonen.

Daar, waar Claes Cornelisz. in de contracten als bevrachter wordt aangeduid, was hij degene, alleen of met anderen, voor wiens rekening een schip werd uitgerust en bevracht.

Het Gemeentearchief van Amsterdam

In 1978 hebben Pieter Jonges 4.6.37 en Pieter Jongens 2.2.5 het GAA bezocht, waar zij door de toenmalige directeur Dr. S. Hart zijn ontvangen. Deze had voor hen bevrachtingcontracten met betrekking tot Claes Cornelisz. Jonges, afgesloten bij Amsterdamse notarissen in het archief gevonden, waarvan zij de kopieën mee naar huis konden nemen. Die contracten zijn tamelijk uitvoering en bovendien omslachtig van taalgebruik. Eén ervan, dat uit 1639 wordt hier in zijn geheel afgedrukt: (4)

In den Name des Heeren amen, in den jare van den geboorten desselfs ons Heeren ende Saligmakers Jesu Christi duizend sesshonderd ende negenendertig op den 23 Aprill compareerden voor mij Jan Volkaertz Oli openbaar notaris tot Amsterdamme residerende bij den hove van Holland geadmitteert, d’Eersame personen Cornelis Cornelisz. Ploeger, Claes Cornelisz. Jongh, Heertjen Pieterz en Dirck Pieterz Oli, alle van Jisp te samen ende elc een vooral in solidum als bevrachters ter eenre ende Sijmen IJsbrandsz van Amsterdam, Schipper ende Mr. naest Godt van den schepe genaemt de Vergulde Snoeck groot omtrent hondertvijftig laste ter andere sijden. Verclarende de vsz. comparanten ende verclaren mits desen seecker contract van bevrachtinge van den voorn. schepe metten andere innegegaen ende gemaeckt te hebben in der forme ende manier hier nae beschreven.

Te wetene dat de voorn. schipper gehouden sal wesen ende belooft mits dezen ‘t voorsz. schip tegenwoordich alhier leggende metten eersten gereet te leveren dicht wel gecale faet ende voorzien van anckers zeylen touwen takels ende andere toebehorende nootlijckheden, gemonteert met negen gotelingen ende andere amrenitie naer advenant. Twelck gedoen sijnde de voorn bevrachters tselve schip tot hare costen voorts sullen voorzien ende versorgen met volck, victualie ende andere behoeften. Oock daerinne schepen soodanige goederen als haer believen sal Daermede ‘t voorsz schip met Godlijcker hulpe in dienste van de selve bevrachters van dese landen sal seijlen ende loopen naer Groenlant Omme aldaer te leggen drijven wenden ende keeren sijlen versijlen lossen ende laden soo in see als aen de lande in hoedanige plaets of t plaetsen, alles in sulcker voegen ende manieren als den Commandeur oft commies van de voorsz bevrachters sal goetvinden. Daernae den voorn schipper (die mede zal mogen varen ende de vrije cost ende dranck van de bevrachters genieten) hem sal moeten reguleren. Ende eijntlijck weder te commen ende keeren tot deser stede Amsterdamme. Ende sal t’ voorn schip in manieren als boven varen bijde maent ende voor maentgeIt verdienen gelijck de voorn bevrachters beloven aende reders vandien te betalen voor ijder maent die t’voorsz schip haer sal hebben gedient te rekenen loopende maent nae den Almanack de dagen minder als een maent naar advenant de somme van sevenhonderten vijff en twintich carolus guldens van twintich stuijvers t’stuck mitsgaders averij endepilotagie nae costume van der see. Inne gaende den dach van d’eerste Maent Soo wanneer t’Schip uijt Texel oft t’Vlie geseijlt ende buijten de leste Tonne in see gecomen sal wesen. Ende voorts loopende ende gedurende clomme met seijlen verseijlen leggen lossen ende laden Totdat t’selve Schip weder hier ter stede voor de palen gearriveert sal sijn, altijt voor vier maenten vast ende seecker daer voor de bevrachters vast staen ende de schipper t’schip verbint alwaert dat de reijse eerder worde gedaen ende langer gedurende maent voor maent de dagen minder oft meerder als een maent naer advenant als vooren. Verbindende partijen elkanderen voort geene voorschr Staet. Te weten de bevrachters te samen ende el. een voor al hare respective personen ende goederen present ende toecommende, geene uijtgesondert ende specialijck noch de bevrachters hare ingeladen goederen.

Ende den Schipper zijn schip vanct ende ‘t gereetschap vandien te submitterende allen rechten ende rechteren renuncierende de bevrachters voorbedachtelijck mede van den Benefitien divisionis Excussionis et Ordinis alst vandien wel wetende ende verstaende sonder fraude. Gedaen binnen der voorsz stede Amsterdamme ten huyse mijns Notaris terpresentie van Abraham Auckes ende Jacob Goutsbloem getuygen hier toe versocht. Ende sijn de woorden “Ende den schipper syn schip vanct ende gereetschap vandien” mitsgaders “divisionis” tusschen de regulen ende “de bevrachters” vooraen deselve in marginis, partijen alle claerlijck mede voorgelesen, alles oprecht.

w.g.

Cornelis Cornelisz. Ploeger                                         Sijmen IJsbrancsz
Dirck Pietersz Buijs                                                     Heertje Pieters Molenaer
Claes Cornelissen Jonges                                            In kennisse van mij
Abraham Auckes                                                         J. Volkaertsz. Oli
Jacob Goutsbloem

Het tweede contract d.d. 20.4.1640 voor notaris P. Capoen, vermeldt de namen van de bevrachter Cornelis Cornelisz. Ploeger en van de schipper Pieter Heijnsz. uit Purmerland met het schip “De Isbergh”. Bovendien ondertekende mede Claes Cornelisz. Jonges 1.0.3. Waarschijnlijk was hij de commandeur. (5)

In het derde contract d.d. 20.4.1641 compareerden voor de notaris: “de eersamen Claes Comelissen Neeltjes commandeur, burgemeester tot Jhisp als bevrachter ter eenre en Jarich Jarichsen de Jonge van Molquirum, schipper ende Mr. naest God van sijin schepe “De Liefde” groot 160 lasten ter andere sijde. (6) Verclaerende …naer Groenlant…” enz. De vrachtprijs was f 850,- per maand voor vier maanden vast. Ondertekend door Pieter Jacobsz. commandeur tot Jhisp van weege Claes Cornelisz. en door Jarich Jarichsz. die Jonghe.

De overige contracten waarin Claes Cornelisz. 1.03 als bevrachter optrad, in twee gevallen met anderen, zijn: (7)

d.d. 24.2.1642 .’De Moriaan” van een schipper uit Enkhuizen.
d.d. 14.4.1642 “Coninck Davidt” van schipper Pieter Pietersz. Mast van Sardam.
d.d. 23.4.1644 “De Bruijnvisch” van Marten Harmansen Blau van Amsterdam.
d.d. 20.4.1645 “De Eijckeboom” van Jan Thijsz. Eekenbom van Hoorn.
d.d. 20.4.1645 “de Stadt Nauwertnae” van Cornelis Clasen van de Stadt.
d.d. 2.4.1646 “De Phenix” van Willem Cornsz. Koel. van Suyrwoud.
d.d. 15.4.1747 “De Phenix” van idem.
d.d. 6.4.1648 “De Rode Fries” van Reinert Evertsz. Roovries van Stavoren.

Opvallend is het ontbreken van een bevrachtingcontract uit 1643. In dat jaar echter sloot Claes een ander contract, namelijk een huwelijkscontract met Trijn Arents, weduwe van Pieter Sijmonsz. (8)

Uit de Rolle van Jisp

Dat Claes Cornelisz. wel eens zakelijke moeilijkheden had met “klanten” lezen wij in twee zaken die dienden voor Schout en Schepenen. Op 25 juli 1647 eiste hij van Cornelis Cornelisz. Haring de Jonge te Wormer betaling van f 429,50 over de rest van een levering gedaan op 17 oktober en 5 december 1646, groot 19.665 pd. beerden (z.g. baarden van walvissen). Ook het weeggeld á f 9,26 moest nog betaald worden. Op de volgende zitting, een week later, op I augustus zei de gedaagde Haring Jr. dat Jonges niet bij hem moest zijn, maar bij zijn vader Haring Sr. De schepenen verordonneerden Haring Jr. alsnog zijn schuld te voldoen.

Een akte d.d. 1644 voor notaris Jan Warnaersz. te Amsterdam behelst: Insinuatie vanwege Jacob Sijmonsz. Doot als bewindheer en Claes Cornelisz. Jongh voor hem en de mede participanten aan Isaack van der Laan. Laatstgenoemde is gepasseerde jaar voor zeker part in de gemeenschap op de walvisserij geweest en daardoor enig gereedschap voorgeschoten dat men niet meer gebruiken wil. Voorts moet er e.e.a. worden aangekocht waarvoor Van der Laan ongenegen is zijn part bij te dragen. Verzoeken hem zijn part in te brengen en order te stellen tot de verkoop van zijn overgeschoten gedeelte in het gereedschap en dat overgebleven gedeelte door onpartijdige lieden te laten taxeren. (9)

Koog aan de Zaan, voorjaar 1996 M.C. Schaap -Jongens 2.2.7

Bronnen:

“Traankokerijen te Jisp”, door G.J. Honig in het Zaanlandsch Jaarboekje. 1934.
“Walvisvaart in de Gouden Eeuw”, Uitg. Rijksmuseum te Amsterdam. 1988.
“Geschrift en Getal”, Dr. S. Hart. Dordrecht 1976.
“Nederlandsche Walvisvaart. meer speciaal de Zaansche”. S. Lootsma. Kampen 1937

Notes

1. SAW NA akte 114 d.d. 6.6.1644, Nots. D. Ackerman te Jisp.
2. SAW RA 398 fol 103. Weesboek Jisp.
3. Handelingen kerkeraad Gereformeerde Gemeente Jisp.
4. GAA NA 1525/97 d.d. 23.4.1639. Nots, Jan Volkaertz. Oli te Amsterdam.
5. GAA NA 1587/183 d.d. 20.4.1640. Nots. P. Capoen te Amsterdam.
6. GAA. NA 15871299 d. d. 20.4.1641. Nots. P. Capoen te Amsterdam.
7. GAA NA 1588/95. 107, 445, 560, 566, 1589/27, 136, 250. Nots. P. Capoen te Amsterdam.
8. SAW NA akte 71 d.d. 24.4.1643. Nots. D. Ackerman te Jisp.
9. GAA NA 689124 d.d. 8.3.1644. Nots. Jan Warnaersz. te Amsterdam.

Share Your Thoughts