1734, Lijs Bul

Lijs Bul in confrontatie met Claas Jonges

In het Streekarchief Waterland te Purmerend vonden wij een Oud Notarieel Archief van Jisp, nr. 2989/82 uit 1734, waarin Claas Claasz Jonges (2.0.5) genoemd wordt.

Op 5 mei 1734 deed zich een incident voor die ertoe heeft geleid dat Claas Jonges een getuigenis door de notaris heeft laten vastleggen. Op genoemde dag passeerde Claas Jonges de herberg “Het Slot van Purmerent” te Neck. Hospita in Het Slot van Purmerend was een vrouwspersoon, in de wandeling genaamd Lijs Bul.

Lijs Bul veronderstelde dat Claas “haar meijt hadde quaad gedaan” en liet haar ongenoegen blijken onder “selijke vloek ende scheltwoorde”. Ontkenningen van Claas hebben maakte niet echte indruk op Lijs Bul. Er volgden zelfs enige handtastelijkheden, “in grammen moede en uijt louter boosheijt den Requirant met alle haare magt een slagh in sijn aangesight heeft gegeven”.

Het incident eindigt met de woorden van Lijs Bul “ik sal hem aan de Schout aanklagen, daar staan ik groot bij, en sal maken dat het hem heugt en veel gelt kosten”. Deze uitspraak heeft Claas Jonges aan het denken gezet en de dreiging van een grote som geld te moeten afstaan heeft hem kennelijk doen besluiten een getuigenis door de notaris te laten vastleggen. Zijn verhaal ondersteunend met de ooggetuigen Outger Engels en Pieter Ront.

Hieronder wordt de volledige tekst weergegeven. Het taalgebruik waarmede het een en ander werd omschreven doet ons nu wel wat vreemd aan maar kenmerken voor die tijd. Naast de al eerder aangehaalde citaten vallen nog op: “schrikkelijk begon te schelden ende horribel te vloeken” en “die donserse, blixemse, weerlightse Schelm”.

Desen 13 Maij 1734 compareerden voor mij Hero Molenaar notaris publiecq bij den Ed. Hove van Hollant geadmiteert, tot Jisp residerende ende voor de nagenoemde getuijgen, den E.E. Outger Johannesz. Engels out 24 jaren en de Pieter Ront out 23 jaren, beijde wonagtig tot Wormer, dogh thans alhier ende mij notaris bekent, de welke verklaarden ten versoeke van Claas Claasz. Jonges wonagtig alhier, hoe waar ende waatagtigh is.

Dat sij deposanten op den 5e deser maant Maij, savonts de klock omtrent elff uren te Neck in de herbergh Het Slot van Purmerent waren, daar hospita in eenen vrouwspersoon inde wandelingh genaamt Lijs Bul welkers meijt in haar deposantens oogen wel ruijm half dronken sijnde, de deur uijtliep ende nae eenige tijt begon te roepen, op welkersgeroep de voornoemde Lijs Bul het huijs uijtliep, wordende immediaat door haar deposanten gevolght, komende alsdoen op de pas door Neck gaan, den Requirant in desen en net voor de voornoemde Herbergh geavanceert sijnde, wiert door de voorz. Lijs Bul onder ijselijke vloek ende scheltwoorden op ‘s Heerenwegh aangerant en gevraagt off hij haar meijt hadde quaad gedaan, het welke door den Requirant met neen beantwoort sijnde dat hij nae huijs gingh en van de meijt niet wist, sij Lijs Bul in grammen moede en uijt louter boosheijt den Requirant met alle haare magt een slagh in sijn aangesight heeft gegeven, waarop den Requirant de voorn. Lijs Bul heeft afgeweert, met haar van sijn lijf af te duwen, sonder dat de Requirant in het alderminste, in het geheel nog ten deelen in eeniger manieren directelijk ofte indirectelijk de meergenoemde Lijs Bul meerder heeft aangeraakt, nae haar getast ofte geslagen, als alleenlijk de bovengenoemde onnosle ende simpele afweering, dat daarop de voorz. Lijs Bul in huijs gegaan sijnde, schrikkelijk begon te schelden ende horribel te vloeken, seggende: ïk sal die donserse, blixemse, weerlightse Schelm (denoterende daarmede den Requirant) betrekken, ik sal hem aan de Schout aanklagen, daar staan ik groot bij, en sal maken dat het hem heugt en veel gelt kosten.

Alles met dese oft diergelijke woorden in substantie sonder dat den Requirant in de gemelde Herberg is geweest, gaande gelijk bevoorens is geseijt, alleenlijk op ‘s Heerenwegh sonder ijmant te beledigen. Waarmede sij deponsanten haare verklaring eijndigende, gaven voor redenen van wetenschap alle het selve alsoo te hebben gehoort, gesien, ondevonden ende bijgewoont, gereijt sijnde desen (is ‘t noodt ende des versogt sijnde) met eede solemneel tge bevestigen.

Aldus gedaan ten bijsijn van Pietr Jacobsz. Nelen ende Gerrit Jansz. Spits, beijde alhier als overstaande ende versogte getuijgen.

Share Your Thoughts