|
|
![]() |
||
|
|
Pieter Cornelisz. Jongens,
1742-1821
|
||
|
|
Grutter en stamhouder van
de Jongens tak.
Bij zijn geboorte op 1 februari
1942 te Jisp wordt Pieter (2.0.7),
zoon van Cornelis Claesz. Jonges 2.0.4 en Grietje Cornd. Wagenaar, nog
Jonges genoemd. Bij zijn eerste huwelijk op 25 juni 1769 te Wormerveer
wordt hij in het kerkregister aldaar ingeschreven als Pieter Cornelisz.
Jongens.
Het tweede huwelijk van Pieter
bracht de voornamen Wijndelt en Douwe in
de familie. Die "t" is in de loop van de jaren weggesleten. De bruid
was een dochter van Douwe Wendels uit Wildervank (zie Jan Aten
"Wormerveer langs weg en Zaan", blz. 62). Deze Douwe Wijndeltsz.
vestigde zich als bakker op het Noordeinde, vlak bij de plaats waar van
oudsheer het veer over de Zaan werd onderhouden. Het is nu Noordeinde
53.
Pieter werd grutter, eerst
waarschijnlijk in Wormer. In 1775 huurt hij
de grutterij van Pieter Baltusz. te Wormerveer (contract dd. 15-5-1775
bij notaris Jelmer de Bruyn te Amsterdam). Later wordt de grutterij
zijn eigendom.
In 1791 vernielde een grote brand
zeven huizen in de nabijheid, zoals
wordt vermeld in de toelichting door J.W. van Sante bij het "Dagverhaal
van Aafje Gijzen 1773 -1175".
Pieter kon voor fl. 400,- het half
verbrande huis kopen van Maartje
Schoute, weduwe van burgemeester Jan de Vries. Dit is nu Zaanweg 44a.
Zo kon hij zijn zaak uitbreiden.
In 1799 erfde hij van Pieter
Baltusz. Pennemes, burgemeester, onder
andere een vierde part in het smakschip "De Vrouwe Johanna" en een stuk
land achter de molen de "Bruinvis".
Het was Pieter voor de wind gegaan,
want bij zijn overlijden in 1821
hadden zijn kinderen de niet onaanzienlijke som van fl. 50.303.16,- te
verdelen (zie akte ONA nr. 197 in RA te Haarlem).
Als pikante bijzonderheid dient een
vermelding in het gravenboek van
Wormerveer. Het graf is teruggegaan in handen van de gemeente, omdat de
nazaten niet wilden meebetalen aan de kosten van ophoging van het graf
in de kerk.
ONA 6183 Akte 3923,
grutterscontract met Pieter
Jongens
Hieronder een volledige weergave
van één van de
vele contracten met vermelding van Pieter Jongens.
Hebt u dit contract helemaal
gelezen dan is het nu tijd voor een
menselijk trekje.
Toen Pieter Cornelisz. Jongens
2.0.7 de "grutter" dit ambtelijke stuk
mede had helpen opstellen, was de grutterij van zijn collega Klaas
Windelberg gevestigd in een mooi Zaans pand aan "weg en Zaan" in de
Oostzijde te Zaandam.
Deze Windelberg verkocht zijn zaak
in 1847 aan Meindert Jansz. Noome,
geen onbekende naam bij de familie Jongens.
Meindert Noome werd daardoor als
grutter de collega van Douwe Pietersz.
Jongens 2.0.20.
Douwe had reeds enige jaren geleden de grutterij van zijn vader te
Wormerveer overgenomen.
Meindert Noome is echter niet lang
als grutter werkzaam geweest. Vier
jaar later, in 1851, verkocht hij zijn zaak aan Barend Aten, grutter te
Krommenie. Deze Aten werd in de wandeling, naar zijn negotie, "Barend
Ort" genoemd. Ort is Zaans voor erwt. Tevens verkocht Noome het huis in
de Westzijde aan het Hazepad, dat hij van zijn ouders geërfd
had, aan
Marten Lusink, stadsheel- en vroedmeester te Zaandam. Dit alles
gebeurde omdat Noome ging emigreren. Hij trad in dienst van het
"Zendings genootschap". In de zomer van 1851 vertrok hij met vrouw en 6
kinderen naar Zuid Afrika. Hij vestigde zich daar in de plaats
"Graaff-Reinet". Tevens werd hij daar huisonderwijzer.
Douwe Jongens en Meindert Noome
zullen in 1851 geen idee gehad hebben
dat hun familienamen nog eens verenigd zouden worden. Want in 1861
trouwde Wijndel Jongens 2.0.26
met Elisabeth Noome. Douwe zal in ieder geval het heuglijke feit hebben
vernomen dat zijn neef uit de Beemster ging trouwen met het nichtje van
zijn ex-collega Noome uit Zaandam. In 1835 was hij zelfs getuige
geweest bij het huwelijk van Wijndel's ouders Pieter Jongens 2.0.22
en Geertje Vis. Ook Meindert in Zuid Afrika zal van zijn broer Jan uit
de Beemster, vader van "Lijsje", één en ander
vernomen hebben, daar zij
veel correspondeerden. Dat Meindert Noome daar ver weg soms geplaagd
werd door heimwee wordt onthuld in één zin uit
een brief aan zijn
superieur te Den Haag. Op 9 juli 1864 schrijft hij onder meer: "Als
Ued. als uitspanning mijn broer eens bezoeken wilde dan zoude Ued. een
fraaije Noordhollandsche boerderij kunnen zien, hij heeft een menigte
prijzen op tentoonstellingen van landbouw behaald".
Marie Schaap - Jongens 2.2.7, Koog
aan de Zaan
|
||
|
|