|
|
![]() |
||
|
|
1595-1654, Claes Cornelisz.
Jonges
|
||
|
|
Commandeur ter walvisvaart
en burgemeester van Jisp.
De akte komt voor in de protocollen
van notaris J .E. Mangleres te
Wormer. De hier genoemde Claes Cornelisz. is een van onze oudst bekende
voorvaders, die in de stamboom vermeld staat met het nummer 1.0.3.
Waarom deze verklaring werd afgelegd is onbekend. Misschien was men ook
toen al bezorgd om het milieu. Dit blijft een vraag, maar door deze
akte zijn twee zaken wel duidelijk geworden. Ten eerste was Claes
Cornelisz. welgesteld, anders werd men in de zeventiende eeuw geen
burgemeester. Ten tweede had hij bemoeienissen met de walvisvaart. Wat
die bemoeienissen waren komt straks, eerst een stukje geschiedenis.
Spitsbergen
In 1556 werd Spitsbergen ontdekt,
een bar en onbewoond gebied. Twintig
jaar later echter kwam het eiland volop in de belangstelling omdat daar
zoveel walvissen rondzwommen. De aanwezigheid van deze dieren vormde de
basis van een bloeiende bedrijfstak; de Walvisvaart. Voordat de jacht
op en het slachten van walvissen goed op gang kwam, moesten de jagers,
Denen, Engelsen en Hollanders, het vak Ieren. Het vangen en verwerken
van deze enorme zoogdieren was niet eenvoudig. De kunst werd afgekeken
van de Basken die al eeuwenlang in de Golf van Biskaje op walvissen
hadden gejaagd.
In 1614 richtten Amsterdamse en
Delftse kooplieden de "Noordse
Compagnie" op, die al spoedig van de Staten Generaal het monopolie op
het vangen en verwerken van walvissen verkreeg. Deze activiteiten
vonden plaats in het noordwesten van Spitsbergen dat weldra
"Smeerenburg" werd genoemd. Deze naam wees op de stank die de
traankokerijen veroorzaakten, maar ook op het product walvistraan:
smeerolie. In de jaren dertig van de zeventiende eeuw verplaatste zich
de walvisvangst verder van Spitsbergen af en steeds vaker werd de
vangst in open zee verwerkt. Deze veranderingen betekenden het einde
van de Noordse Compagnie, vooral ook omdat er steeds vaker schepen
buiten de Compagnie om ter walvisjacht gingen. In open zee immers had
men met niemand iets te maken!
|
||
|
De cijfers 1 tlm 9 in het artikel
verwijzen naar de bronnen en notes
aan het einde.
|
Jisp
Nu keren wij terug naar Jisp, het
dorp uit bovengenoemde verklaring.
Vanuit Jisp werd al vroeg particuliere walvisvaart bedreven. Daar werd
ook de eerste traankokerij hier te lande gevestigd en in de bloeitijd
waren het er wel meer dan één, zoals we kunnen
lezen. Dit dorp, gelegen
in een waterrijk gebied met een verbinding naar de Zuiderzee en nog
verder de Noordzee, was de woonplaats van Claes Cornelisz. Jonges, die
ook wel 't Jong of Neeltjes werd genoemd. Het ligt voor de hand dat de
Jispers de kneepjes van de walvisvaart leerden op de schepen die onder
de Noordse Compagnie voeren. Eenmaal volleerd, gingen zij zelf op jacht
en Claes zal één van hen zijn geweest. Hij was
geboren (1) in de zelfde
tijd dat Spitsbergen werk ontdekt en wij kunnen ons voorstellen dat hij
als jongmaatje ter walvisvaart is getogen om op zijn beurt de ervaring
op te doen, waarvan zijn verdere levensloop getuigt.
Wie waren vader en zoon
Jonges?
Het beroep van de vader, Cornelis
Claesz. 1.0.1
weten wij niet. In ieder geval was hij niet onbemiddeld, want zijn
jongste zoon, Cornelis 1.0.5.
kreeg bij zijn meerderjarigheid de beschikking over 1.097 roeden land
en ruim één honderd en acht gulden. (2) Ook is
onbekend of hij een
geboren Wormer of Jisper was. Misschien stamde hij van de Watergeuzen,
dat "bedreven varensvolk". Een andere vraag is of hij Doopsgezind was.
Zijn zoon namelijk getuigde enige malen "bij christelijke ware woorden
in plaetse van eede", hetgeen kenmerkend is voor Doopsgezinden. Op al
deze vragen hebben we geen antwoorden. Wél weten wij dat
zijn oudste
zoon 1.0.3
een man van aanzien is geworden door de walvisvaart. Een
bevrachtingcontract uit 1641 vermeldde hem als commandeur én
als
burgemeester. Toch waren er in 1638 nog moeilijkheden. Wat te denken
van het volgende: "Tegen het Avondmael welc gehouden soude den 25en
Decembris 1638 wesende Kerstdagh zijn tot denselven gemeenschap nae
belofte van behoorlijcke onderwerpinge toegelaten Claes Cornelisz.
Jonges..." (3)
Had hij zich als lid van die kerk
ernstig misdragen, zodat hij van het
Avondmaal was uitgesloten? Dan is hij na zijn schuldbelijdenis weer
toegelaten, zodat daarna hem niets meer belemmerde hoger op de
maatschappelijke ladder te komen.
Commandeur, burgemeester,
bevrachter
Deze begrippen houden het volgende
in: Als men bij de walvisvaart als
commandeur voer, had men de algehele leiding en verantwoording over de
vangstcapaciteiten en de vleet. Hieronder werd de gehele uitrusting
verstaan waartoe o.a. 6 á 7 sloepen behoorden. Met deze
sloepen werd
feitelijk gejaagd. De schipper was uitsluitend verantwoordelijk voor
zijn schip en de navigatie. Volgens P. Jonges te Spijkerboor 4.6.37
voer Claes Cornelisz. in 1639 en 1640 als commandeur. Van eerdere
reizen zijn geen bewijzen gevonden. Na 1640, toen hij in 1641
burgemeester van Jisp was verkozen, was het varen afgelopen. In die
functie verbond men zich niet buitenslands te gaan, omdat men de
verplichting had de vergaderingen van de "gemeenteraad" bij te wonen.
Daar, waar Claes Cornelisz. in de
contracten als bevrachter wordt
aangeduid, was hij degene, alleen of met anderen, voor wiens rekening
een schip werd uitgerust en bevracht.
Het Gemeentearchief van
Amsterdam
In 1978 hebben Pieter Jonges 4.6.37
en Pieter Jongens 2.2.5 het GAA
bezocht, waar zij door de toenmalige directeur Dr. S. Hart zijn
ontvangen. Deze had voor hen bevrachtingcontracten met betrekking tot
Claes Cornelisz. Jonges, afgesloten bij Amsterdamse notarissen in het
archief gevonden, waarvan zij de kopieën mee naar huis konden
nemen.
Die contracten zijn tamelijk uitvoering en bovendien omslachtig van
taalgebruik. Eén ervan, dat uit 1639 wordt hier in zijn
geheel
afgedrukt: (4)
Het tweede contract d.d. 20.4.1640
voor notaris P. Capoen, vermeldt de
namen van de bevrachter Cornelis Cornelisz. Ploeger en van de schipper
Pieter Heijnsz. uit Purmerland met het schip "De Isbergh". Bovendien
ondertekende mede Claes Cornelisz. Jonges 1.0.3. Waarschijnlijk was hij
de commandeur. (5)
In het derde contract d.d.
20.4.1641 compareerden voor de notaris: "de
eersamen Claes Comelissen Neeltjes commandeur, burgemeester tot Jhisp
als bevrachter ter eenre en Jarich Jarichsen de Jonge van Molquirum,
schipper ende Mr. naest God van sijin schepe "De Liefde" groot 160
lasten ter andere sijde. (6) Verclaerende ...naer Groenlant..." enz. De
vrachtprijs was f 850,- per maand voor vier maanden vast. Ondertekend
door Pieter Jacobsz. commandeur tot Jhisp van weege Claes Cornelisz. en
door Jarich Jarichsz. die Jonghe.
De overige contracten waarin Claes
Cornelisz. 1.03 als bevrachter
optrad, in twee gevallen met anderen, zijn: (7)
d.d. 24.2.1642 .'De Moriaan" van
een schipper uit Enkhuizen.
d.d. 14.4.1642 "Coninck Davidt" van
schipper Pieter Pietersz. Mast van
Sardam.
d.d. 23.4.1644 "De Bruijnvisch" van
Marten Harmansen Blau van
Amsterdam.
d.d. 20.4.1645 "De Eijckeboom" van
Jan Thijsz. Eekenbom van Hoorn.
d.d. 20.4.1645 "de Stadt
Nauwertnae" van Cornelis Clasen van de Stadt.
d.d. 2.4.1646 "De Phenix" van
Willem Cornsz. Koel. van Suyrwoud.
d.d. 15.4.1747 "De Phenix" van
idem.
d.d. 6.4.1648 "De Rode Fries" van
Reinert Evertsz. Roovries van
Stavoren.
Opvallend is het ontbreken van een
bevrachtingcontract uit 1643. In dat
jaar echter sloot Claes een ander contract, namelijk een
huwelijkscontract met Trijn Arents, weduwe van Pieter Sijmonsz. (8)
Uit de Rolle van Jisp
Dat Claes Cornelisz. wel eens
zakelijke moeilijkheden had met "klanten"
lezen wij in twee zaken die dienden voor Schout en Schepenen. Op 25
juli 1647 eiste hij van Cornelis Cornelisz. Haring de Jonge te Wormer
betaling van f 429,50 over de rest van een levering gedaan op 17
oktober en 5 december 1646, groot 19.665 pd. beerden (z.g. baarden van
walvissen). Ook het weeggeld á f 9,26 moest nog betaald
worden. Op de
volgende zitting, een week later, op I augustus zei de gedaagde Haring
Jr. dat Jonges niet bij hem moest zijn, maar bij zijn vader Haring Sr.
De schepenen verordonneerden Haring Jr. alsnog zijn schuld te voldoen.
Een akte d.d. 1644 voor notaris Jan
Warnaersz. te Amsterdam behelst:
Insinuatie vanwege Jacob Sijmonsz. Doot als bewindheer en Claes
Cornelisz. Jongh voor hem en de mede participanten aan Isaack van der
Laan. Laatstgenoemde is gepasseerde jaar voor zeker part in de
gemeenschap op de walvisserij geweest en daardoor enig gereedschap
voorgeschoten dat men niet meer gebruiken wil. Voorts moet er e.e.a.
worden aangekocht waarvoor Van der Laan ongenegen is zijn part bij te
dragen. Verzoeken hem zijn part in te brengen en order te stellen tot
de verkoop van zijn overgeschoten gedeelte in het gereedschap en dat
overgebleven gedeelte door onpartijdige lieden te laten taxeren. (9)
Koog aan de Zaan, voorjaar 1996
M.C. Schaap -Jongens 2.2.7
Bronnen:
"Traankokerijen te Jisp", door G.J.
Honig in het Zaanlandsch
Jaarboekje. 1934.
"Walvisvaart in de Gouden Eeuw",
Uitg. Rijksmuseum te Amsterdam. 1988.
"Geschrift en Getal", Dr. S. Hart.
Dordrecht 1976.
"Nederlandsche Walvisvaart. meer
speciaal de Zaansche". S. Lootsma.
Kampen 1937
Notes
1. SAW NA akte 114 d.d. 6.6.1644,
Nots. D. Ackerman te Jisp.
2. SAW RA 398 fol 103. Weesboek
Jisp. 3. Handelingen kerkeraad
Gereformeerde Gemeente Jisp.
4. GAA NA 1525/97 d.d. 23.4.1639.
Nots, Jan Volkaertz. Oli te
Amsterdam.
5. GAA NA 1587/183 d.d. 20.4.1640.
Nots. P. Capoen te Amsterdam.
6. GAA. NA 15871299 d. d.
20.4.1641. Nots. P. Capoen te Amsterdam.
7. GAA NA 1588/95. 107, 445, 560,
566, 1589/27, 136, 250. Nots. P.
Capoen te Amsterdam.
8. SAW NA akte 71 d.d. 24.4.1643.
Nots. D. Ackerman te Jisp.
9. GAA NA 689124 d.d. 8.3.1644.
Nots. Jan Warnaersz. te Amsterdam.
|
||
|
|
|